Hieronder staat in de overweging van het afgelopen weekend.
De ‘eigen’ voorgangers van de werkgroep Woord- & Communievieringen maken bij de voorbereiding van de overweging dankbaar gebruik van externe bronnen. Naast boeken zijn dat ook internetbronnen zoals:

preek van de week

tijdschrift voor verkondiging

dominicanen in Schildbergen

Eerdere overwegingen staan in de rubriek archief.

Overweging afgelopen weekend:

:

200222                 7de zondag A     Leviticus 19                        Matt 5, 38-48

Die tekstdelen uit het boek Leviticus, de eerste lezing, zouden wel eens zo’n 2700 jaar oud kunnen zijn. Dat wij die tekst vandaag nog lezen, geeft de kracht en de betekenis aan. Het boek Leviticus, het wetboek van Mozes, is geschreven voor het Joodse volk, dat komend uit de onderdrukking van Egypte, onderweg is om een volk te worden dat wil leven in het aanschijn van God. De teksten in het boek zijn heel concreet: zo gaan de weggelaten verzen in de 1ste lezing over het ontzag voor je ouders, de sabbat, het afwijzen van afgoden, maar ook over de oogst en de rechtvaardige behoeften van de armen en de vreemdelingen. De tekst is directief, verbiedt niet, maar wijst de weg, zoals de laatste strofen van de 1ste lezing. ‘Wees heilig, want Ik, de Heer uw God, ben heilig.’  Wees heilig, daarmee wordt volgens mij bedoeld, leef met elkaar en ga met elkaar om, zoals ik, God, met jullie om ga.  De nabije God, die zich aan Mozes kenbaar maakte met de naam, Ik zal er zijn, is aanwezig in de nabijheid en de aandacht van mensen t.o.v. elkaar. De betekenis van deze opdracht, wees heilig, is dat wij een beeld van God kunnen zien als we naar elkaar kijken. In mensen die zich heilig gedragen wordt zichtbaar gemaakt hoe God heilig is. Dat is niet hoog verheven, dat vergt geen formele erkenning vanuit de kerk.  Reeds in de eerste tijden van het christendom was het gebruikelijk dat de gewone christenen heiligen werden genoemd. De aanhef van de brief van Paulus aan de Kolossenzen luidt bijv: ‘aan de heilige en gelovige broeders in Christus te Kolosse’. Dat betekent dus zoveel als: ‘van Paulus, aan jullie allemaal’.

De tekst uit Matteüs , die we vandaag als vervolg op de zogeheten bergrede lezen, refereert aan de aanwijzingen uit het boek Leviticus. De aanwijzingen in de wetsboeken van het Oude Testament zijn gericht op het beheersen van het kwaad. ‘Oog om oog, tand om tand’,  betekent: als iemand onrecht is aangedaan, mag hij de ander niet meer aandoen, dan hem zelf is aangedaan. Een vorm van  beperkte vergelding, proportioneel geweld zouden we in deze tijd zeggen. De straf moet corresponderen met het karakter en de maat van de gepleegde misdaad. Binnen dit rechtsbeginsel schrijft Matteüs zijn evangelie, gericht op mensen die in heel moeilijke omstandigheden verkeren. Ze worden letterlijk geslagen, getreiterd, bestolen, geïrriteerd. In zo’n klimaat is met gelijke munt terugbetalen voor de hand liggend. Oog om oog, tand om tand…. Matteüs schrijft dat Jezus deze spiraal van geweld wil doorbreken. Hij wil de wet vervullen, vervolmaken door het kwaad met het goede te confronteren. Als je het kwaad met goed weet te vergelden, dan schep je iets nieuws, dan doorbreek je de scheidingsmuren van de angst, die mensen tegen elkaar opstelt met gebalde vuisten. Als je de wet wil vervullen, zegt Jezus, dan moet je de wederkerigheid doorbreken. Oog om oog, tand om tand, klinkt wreed, klinkt naar wraak. Minder bloedig dan het klinkt is het ook ons dagelijks deel. ‘Hij heeft mij niet bezocht toen ik in het ziekenhuis lag, dus ga ik ook niet bij hem op bezoek, nu hij ziek is! Hij heeft mij niets gegeven toen ik jarig was, dus krijgt hij nu ook niets. Jezus vraagt ons om de minste te durven zijn. Geen gemakkelijke opgave. Hoe velen van ons leven niet met een hardnekkig conflict in de familie of in de werksfeer? Soms liggen de moeilijkheden op tafel, vaker nog woekert een conflict onuitgesproken door. Er is geen ruzie met woorden of met de vuist, maar je voelt het aan de blik van de ander, van jezelf. Ogen ontwijken elkaar. Je groet ongemakkelijk, of niet. Hoe snel voel ik mij aangevallen bij kritiek? Hoe reageer je dan? Blijf je open staan naar de ander?

Geweld tegenover geweld, het ‘oog om oog’, is diep doorgedrongen in onze leefwereld. De TV-series, met name de Amerikaanse op de RTL-zenders, staan er bol van. Het lijkt spannend amusement, maar de realiteit is bloedige ernst. En van een balans, zoals oorspronkelijk bedoeld, is al lang geen sprake meer. In wat we sociale media zijn gaan noemen is de overtreffende trap de maat der dingen geworden en domineren het nieuws. Politici in binnen- en buitenland zetten mensen tegen elkaar op, verbinden niet, maar verharden.

Jezus wijst een andere weg, de weg van de eigen kwetsbaarheid, de weg van het vertrouwen. Ik zeg u: Bemint uw vijanden…  In onze huidige taal heeft beminnen waarschijnlijk een intiemere betekenis dan in Jezus tijd. Het gaat om respect en erkening. En je vijand? Dat zijn de mensen waardoor jij je misschien ongemakkelijk voelt. De concurrerende mede-sollicitant, de zwartgallige criticaster, de moeder die altijd alles afkeurt, de vader met driftbuien, de ex, die de kinderen aan zich bindt met grote cadeau’s. Of het zijn mensen met wie niets te maken wilt hebben! En vul het dan maar in: hoe sta je ten opzichte van de buitenlanders, de asielzoekers, de migranten uit Oost – Europa?  Wie is mijn vijand? Wie ben ik? Wat is liefhebben? Vragen te over die door de lezingen van vandaag worden gevoed. Jezus zegt: neem initiatieven tot vrede en verzoening, doorbreek barrières, ontdooi bevroren verhoudingen, doorbreek je eigen grenzen. Spreek je vijanden zo aan, dat ze weer medemensen worden. Niet door ze te overbluffen of te overtroeven, maar door dienstbaar aan hen te zijn. Jezus leert ons royaal om te gaan met de oude wetten. Niet het minimum, maar het maximum. Het is niet de dwang van je aan de regels moeten houden. Het is niet gebukt gaan onder wat wel of niet mag. Het is leven vanuit overvloed, leven vanuit een royale gerechtigheid. Daarom luidt het:

Mozes leerde: ‘niet doodslaan’, maar ik leer u: ‘maak voor álle mensen het leven mogelijk’.

Mozes leerde: ‘blijf trouw aan wat je gezworen hebt’, maar ik zeg u: ‘zweer niet, maar wees betrouwbaar op je woord’.

Mozes leerde: ‘oog om oog en tand om tand’, maar ik leer u: ‘durf in je leven de minste, een verliezer, te zijn.

Mozes leerde u: ‘heb je naaste, degene die je nabij is, lief’, maar ik zeg u: ‘heb je vijanden lief’.

De richting waarin Jezus ons wijst, is de weg die we samen kunnen gaan om de spiraal van het kwaad en het geweld te doorbreken. Het is de weg die ruimte maakt voor het goede in de mens. Van Nelson Mandela is de uitspraak: ‘De grootste roem in het leven ligt niet in nooit vallen, maar in telkens weer opstaan’. En:  ‘Heiligen zijn zondaars die steeds weer opstaan’.

‘Wees heilig’, luidt de aansporing in de eerste lezing. Jezus heeft dat ‘heilig’ ingevuld. Heilig is het gaan in Zijn voetspoor, heilig is barmhartigheid en gerechtigheid, heilig is niet ‘het afmeten’, maar gul en met open hand, ieder, ( bekend en onbekend) tegemoet treden. Heiligen is een werkwoord, waarin mensen worden geheeld, niet worden gediscrimineerd of worden “weggezet” vanwege een andere huidskleur of een andere religie. Heiligheid begint met de open blik naar elkaar, vol vertrouwen en zonder angst.  Heilig zijn is, naar de woorden van Mandela, steeds weer opstaan. Weest heilig, de titel op het misboekje, is daarmee ook onze opdracht.