Hieronder staat in de overweging van het afgelopen weekend.
De ‘eigen’ voorgangers van de werkgroep Woord- & Communievieringen maken bij de voorbereiding van de overweging dankbaar gebruik van externe bronnen. Naast boeken zijn dat ook internetbronnen zoals:

preek van de week

tijdschrift voor verkondiging

dominicanen in Schildbergen

Eerdere overwegingen staan in de rubriek archief.

Overweging afgelopen weekend:

:

15de zondag

Daar sta je dan.., 1 jaar na het verlies van onze vertrouwde ruimte aan de Meijersweg, in een kerkgebouw waarin je nauwelijks kerk kunt zijn omdat gezondheidsrisico’s het warme contact tussen mensen belemmeren. En dan hoor je dat verhaal over een zaaier die ging zaaien. Een Zaaier met een hoofdletter. Een vertrouwd verhaal, verankerd in ons collectieve geheugen. Zaaier en zaad, ik associeer dat ook met het verhaal van Abram, de ‘vader van alle gelovigen’. Het woord ‘zaad’ kan in de Schrift niet gebruikt worden zonder dat men aan mensen denkt, aan ‘Abraham en zijn zaad’, – een tekstregel uit het Magnificat -,  .. denkt aan  mensen die horen en al doende vruchten voortbrengen. Het Woord bereikte Abram, niet als een vaste waarde, maar meer als een mysterie, een langzame ontdekking. Ook in ons gelovig leven gaat het vaak om de ontdekking van het Mysterie, gaandeweg. Dat ontdekken is iets anders dan hét geloof van dé kerk van buitenaf op je leven laten plakken. Ontdekken is oog krijgen voor de verborgen diepte van ons eigen verhaal en dat van anderen. Dan verdiept het en wordt het uitgezuiverd. Een crisis in je leven, zoals de angst voor het coronavirus, kan je beklemmen, zo’n crisis kan je ook op zoek doen gaan naar de diepte, de kern. Daarom kan ze ook nieuwe wegen wijzen. Leegte kan ruimte worden. Lege handen kunnen open handen worden. De leegte niet ontvluchten, maar intussen wel je ogen open houden voor dié momenten en situaties die je raken, die je stil maken, die je goed doen en soms ook troosten. Momenten waarop zich iets aandient van het ‘en toch’. Zoals Abram ervoer in zijn donkere nacht en hij de overgang kan maken van angst naar vertrouwen. Het levenslange verhaal van ons allemaal.

Een rotsvast vertrouwen in de toekomst is ook de diepere laag in de 1ste lezing uit ‘Jesaja’. Een vertrouwen dat hij niet put uit een aangeboren optimisme, maar dat hij haalt uit de woorden van de belofte die hij met zich meedraagt. Zijn gedachten over het ‘woord van God als regen’, stammen uit de tijd van de verbanning in Babylon. Niet direct een hoopvolle situatie. Toch weet Jesaja zich heel sterk geworteld in de beloften van God. Hij heeft er prachtige beelden voor: water en bron noemt hij die werkelijkheid van God. In verbondenheid leven is ‘zijn als vruchtbare grond, doordrenkt van regen’, om te worden mensen van gerechtigheid die in vertrouwen hoopvol leven.

En vanuit dat vertrouwen van Jesaja klinkt dan vanmorgen die bekende parabel. Parabel.., dat staat voor een ontdekkingstocht, een raadsel, een beeldverhaal dat in elke tijd een eigen interpretatie kent. Interpretaties die gaan over het Woord, over de ontvankelijkheid, over het zaaigoed en de zaaier. Beelden over zaaien die niet passen bij onze cultuur. Als ik ’s ochtends mijn rondje loop door de velden achter het Genseler en de strakke lijnen zie van het opkomende mais; of als ik in Friesland, waar ik nu zit, de gladgeschoren weidevelden zie, dan past dat niet bij die slordige, ruimhartige zaaier in de parabel. De mensen die naar Jezus luisteren,  kennen een heel andere situatie: het hoogland van Palestina kent schrale grond, eigenlijk alleen geschikt om spelt te kweken en wat geiten te hoeden die met weinig tevreden zijn. Jan en alleman loopt er overheen, een grond met veel stenen en keien en met taai onkruid erop. U kunt het zich wel voor de geest halen als u de tv-beelden uit het journaal in uw herinnering roept. Eerst wordt er gezaaid en daarna geploegd om zo het zaad in de aarde te krijgen. Eggen is in die steenrijke grond onmogelijk. Daarom zaaide men overal: op paadjes, op plaatsen waar onkruid en dorens stonden, want alles werd toch omgeploegd. Daarom is de zaaier niet zuinig met het zaad en zó kan Jezus het herkenbare beeld van het mateloze zaaien gebruiken om te spreken over Gods koninkrijk. Het beeld van het ruimhartig, in onze ogen onzorgvuldig, zaaien én de mogelijkheden die het zaad krijgt om tot wasdom te komen, kan ook gespiegeld worden naar ons eigen leven. Want soms zijn we keihard, soms zijn we stekelig als distels, soms zijn we zo druk met de weg die we gaan dat we geen oog hebben voor de omgeving, en soms valt een woord als een geschenk op de vruchtbare bodem van ons hart. Een deel van het zaad valt op de weg en de vogels komen het opeten. Anders gezegd: op platgetreden paden kan het geloof niet aarden en ervaren we niets van het koninkrijk van God. Platgetreden paden zijn de paden van de sleur, waar de gave van de verwondering is verdwenen. Het zijn de paden van vastgeroeste gewoontes. Het zijn de paden van berusting, van ‘het is nu eenmaal zo, wat kan ik er aan doen?’ Een ander gedeelte van het zaad viel op rotsgrond. Het schoot snel op maar verdorde omdat het geen wortel had geschoten. Dat is het zaad dat met het woord ‘eigenlijk’ kan worden aangeduid. Eigenlijk zou ik, eigenlijk zouden we…, aanvankelijk enthousiasme komt niet tot daden. Het is het zaad van de ontwijking, van buigen bij tegenwind. Het zaad schiet geen wortel. Weer een ander deel viel tussen de distels en de distels verstikten het zaad. Ik denk aan het zaad van gerechtigheid dat verstikt wordt door eigenbelang, door het kwaad dat voortdurend in ons midden is. De verlokkingen van- en het onrecht in onze kapitalistische wereld gericht op eigenbelang. Een ander gedeelte viel op goede grond en leverde vrucht op.  Bij mij komen de beelden terug van de samenhorigheid, de ontvangen hulp ‘om niet’, direct na de brand. Hoe onverwachte mensen ons door de duisternis loodsten, ons als het ware ‘bij de hand’ namen. En misschien hebt u dat ook persoonlijk kunnen ervaren in deze tijd vol met beperkingen, dat er onverwachte momenten waren dat angst en zorgen werden verdrongen door hartelijkheid en aandacht. Het zaad van Gods Woord wordt uitgezaaid over de aarde, kwistig en overvloedig en is zó intens op de mens gericht, dat het Woord en degene die het hoort, als het ware samenvallen, dan is er sprake van mensenzaad dat honderdvoudig vrucht kan dragen. Dus wat uitgezaaid wordt, zijn geen op zichzelf staande woorden, maar mensen. Zij zijn het zaad dat uitzaait over de aarde. Zij zijn het zaad waarin het Goddelijke ontkiemt en waarin zijn gerechtigheid zich voortplant. In het liedboek van de kerken, gezang 64, luidt dat: ‘Gij hebt met brede gebaren uw mensen gestrooid uit uw hand’. Ik kon er zo gauw geen CD-versie van vinden.  Het niet voorgelezen einde van dit Evangeliefragment luidt:  ‘Maar die in goede aarde wordt gezaaid, is hij die het woord hoort en begrijpt en daarom vrucht draagt’. Wij kunnen onszelf in de parabel herkennen zowel in de al dan niet ontvankelijke grond, als ook in het zaaigoed.

Zaaien is initiëren, op gang brengen. Zaaien is analyseren en corrigeren en geduldig wachten en zien of het zaad tot wasdom wil komen. Zaaien is oog hebben voor wat van belang is voor het gewas. In zijn boek ‘mensen voor dag en dauw’ schrijft Huub Oosterhuis: In de besteding van je tijd druk je uit wat je het meest vervult, wat primair voor je is en van levensbelang. In de besteding van je tijd kun je ook zelf zaaier zijn, iets op gang brengen. Dat klinkt zwaar en ingewikkeld, maar is het niet. Het gaat om wat je ten diepste wilt zijn, kunt overdragen, kunt laten zien in hetgeen je doet. Door mijn hoofd speelt dan het woord uit de Schrift: het woord dat ik U geef is niet te hoog en niet te zwaar, Gij kunt het volbrengen. Daarin ligt besloten om ontvankelijk te zijn als vruchtbare grond en ‘het goede’ als vrucht te dragen. In de parabel van de zaaier ligt een belofte besloten: Als jij als zaad bent dat op goede grond is gezaaid, zal je vruchten dragen.