Hieronder staat in de overweging van het afgelopen weekend.
De ‘eigen’ voorgangers van de werkgroep Woord- & Communievieringen maken bij de voorbereiding van de overweging dankbaar gebruik van externe bronnen. Naast boeken zijn dat ook internetbronnen zoals:

preek van de week

tijdschrift voor verkondiging

dominicanen in Schildbergen

Eerdere overwegingen staan in de rubriek archief.

Overweging afgelopen weekend:

:

19 zondag 28C

Vanmorgen wil ik het met u hebben over genezen en genezen worden

De eerste lezing van vanmorgen is een klein fragment uit het 2de boek Koningen. Ik heb er even over getwijfeld of ik het hele 5de hoofdstuk zou (laten) voorlezen. Het is een boeiend en intrigerend verhaal, waarin veel betekenissen zijn ondergebracht. Om den tijdswille vat ik het voor u samen. De  Naäman  die in het boek Koningen wordt beschreven, was de opperbevelhebber van het Syrische leger. Hij stond bij zijn koning in hoog aanzien. Hij leed echter aan huidvraat, een vorm van lepra. In zijn huishouden werkte een jonge Jodin, die hij als slavin op een van zijn strijdtochten bemachtigd had. Zij heeft medelijden met hem en adviseert hem naar de profeet Elisa in Samaria te gaan. Zoals een hoge militair betaamt gaat hij, met toestemming van zijn koning, eerst naar de koning van Samaria. Deze zegt: ‘ben ik soms een god, die mensen van melaatsheid kan genezen? Hij vermoedt een valstrik. Elisa die hiervan hoort laat Naäman bij zich komen. Hij arriveert er met zijn strijdwagen. Elisa komt niet naar buiten maar laat via een bediende weten dat Naäman zich zevenmaal moet wassen in de Jordaan. Naäman wordt kwaad, vanuit zijn positie had hij zich wat anders voorgesteld. Elisa had voor zo’n belangrijk persoon naar buiten moeten komen, plechtig de naam van zijn God moeten aanroepen, en met zijn hand de zieke plek moeten wegnemen. Niets daarvan. Elisa stuurt een knecht die zegt: ga je wassen in de Jordaan.  Een belediging voor de nationale trots en de positie van Naäman. Zijn de grote rivieren in zijn eigen land niet beter dan de wateren van Israël? Hij keert om en gaat verontwaardigd weg. Nu zijn het zijn knechten die hem overhalen de opdracht van Elisa uit te voeren.  En zie: zijn huid werd weer als die van een klein kind, zo hoorden we voorlezen. Naäman keert terug naar het huis van de profeet en gaat nu wél zijn huis binnen. Hij legt daarmee zijn grootheidswaan af, hij noemt zich dienaar,  en erkent de God van Israël als de enige God in de wereld. . Het is niet Elisa die hem geneest, maar zijn toevertrouwen aan de woorden van de profeet.  Naäman is veranderd, bevrijd van de doodsheid die zijn ziekte kenmerkt én bevrijd van zelfoverschatting En het verhaal vervolgt met de beschrijving dat de knecht van Elisa, Gechazi genaamd, de verleiding van een beloning niet kon weerstaan en getroffen wordt door lepra.

De korte lezing uit het boek Koningen dient vanmorgen als opmaat voor de ontmoeting van Jezus met de 10 melaatsen, zoals dat door Lucas wordt beschreven. Hier geen hooggeplaatste figuren, maar mensen die door de maatschappij zijn uitgestoten. In onze tijd en in ons deel van de wereld is melaatsheid, of lepra, geen gevreesde kwaal meer. De ziekte was in de jaren 60 al te stabiliseren en nu is ook genezing mogelijk. Eeuwenlang was lepra een vreselijke en gevreesde ziekte.  Een melaatse had wegrottende ledematen en verspreidde een kwalijke lijkgeur. De ziekte was zeer besmettelijk. Wanneer deze ziekte geconstateerd werd, werd je buiten de gemeenschap geplaatst om besmetting van anderen te voorkomen. Je werd als een ‘dode’ onder de ‘levenden’. ‘Dood’ heeft hier de betekenis van: geen invloed meer hebben op de wereld van de levenden. Je levenskracht en bezieling hebben geen betekenis meer voor de ‘levenden’.  De gemeenschap beschermde zich tegen de melaatsheid en de onverbiddelijke dood die wordt verder gedragen door iedereen die met een melaatse in aanraking komt. In Leuven , waar ik in het voorjaar was,  herinnert de gedachteniskerk van pater Damiaan hier aan. Ter bescherming van de gemeenschap werden melaatsen weggejaagd naar onherbergzame oorden. In onze streken werden vroeger de melaatsen in leprozenkolonies ver buiten de steden bij elkaar gehouden. In de tijd van Jezus zwerven ze met elkaar door het land,, ze moeten andere mensen met geschreeuw en ratels op afstand houden, om zo hun aanwezigheid kenbaar te maken. Hun ziekte, zo meende men, was een straf van God. In het verhaal van Lucas gebeurt er nu wat bijzonders. Geen ratels, geen roep ‘onrein, onrein!’, zoals verplicht, maar de roep om ontferming! Jezus is voor hen een ‘man van God’. Ze vertrouwen erop dat deze God hen niet zal verstoten, maar naar hen al omzien. Wat Jezus doet is op het oog eigenlijk niet zoveel. Een klein zinnetje, drie woorden: ‘Hij zag hen’! Hij loopt niet door, gaat niet met en grote boog om hen heen, nee, hij zet zijn afkeer opzij. Jezus ‘zag hen aan’.  Hij zag hen aan met de ogen van God, ogen die zeggen dat deze miserabelen een bijzondere plaats hebben in het hart van de Eeuwige. Deze verworpenen mogen opstaan uit de doodsheid en weer voegen bij de levenden. Jezus stuurt hen, zoals de Wet van Mozes gebiedt, naar de priesters in de tempel. En dan letterlijk ‘gaandeweg’ worden ze genezen, deze geschonden mensen, met littekens, verbannen in apartheid. Ze worden bevrijd van hun ziekte en dat niet alleen, ook bevrijd uit hun isolement. Door te gaan overwonnen zij de angst die tot dan toe alle poriën van hun huid verstopt had. Het was een geloofsdaad, hun gaan.

10 Melaatsen worden bevrijd uit hun isolement. Waarom 10? Lucas verwijst daarmee vermoedelijk naar het getal dat in de Bijbel en vervolgens in de Joodse religie zo’n grote rol speelt. Om op de sabbat de voorgeschreven liturgie te mogen vieren in de synagoge zijn er 10 mensen nodig, en niet één minder. Wanneer er maar negen zouden zijn gaat de plechtigheid niet door, en keert ieder naar huis terug om daar voor zichzelf de gebeden te doen. De Tien Woorden van God, gesproken en geschreven op de Sinai, moeten door tien mannen gedragen worden, dat is voor iedere jood duidelijk. In het boek Genesis wordt beschreven hoe God met Abraham spreekt over de naderende verwoesting van Sodom en Gomorra. Onderweg dingt Abraham af: 50 rechtvaardigen, 45, 30, 20 met als uiterste grens 10. Dan belooft God de steden te sparen. Tien rechtvaardigen. Vandaag tien melaatsen, ten dode opgeschreven. Als het ware een gemeenschap, ten dode opgeschreven, maar waarin het omkering naar het gelovig vertrouwen nieuw perspectief biedt.

Het is niet ondenkbaar dat ook in onze dagen de melaatsen van déze tijd: de uitgestotenen, de kleinen, de verschoppelingen naar ons toekomen en óns om bevrijding en redding, om gerechtigheid en menswaardig leven smeken. Het is niet ondenkbaar dat ook wij in onze dagen een melaatse van deze tijd op onze weg tegenkomen: vluchtelingen, verdrevenen, asielzoekers, daklozen, verslaafden…, maar ook demente bejaarden, vereenzaamde alleenstaanden, dolende jongeren. En dan is de vraag die vanmorgen wordt opgeworpen: keren we om of gaan we ze tegemoet? Is ons geloof sterk genoeg om onze hand uit te steken ten teken dat God ieder mens nabij wil zijn?