Hieronder staat in de overweging van het afgelopen weekend.
De ‘eigen’ voorgangers van de werkgroep Woord- & Communievieringen maken bij de voorbereiding van de overweging dankbaar gebruik van externe bronnen. Naast boeken zijn dat ook internetbronnen zoals:

preek van de week

tijdschrift voor verkondiging

dominicanen in Schildbergen

Eerdere overwegingen staan in de rubriek archief.

Overweging afgelopen weekend:

:

oudjaar 2019: de weg van de hoop..

2019      oudjaar                               de weg van de hoop..

Het einde van het jaar is voor velen een moment van terugkijken en vooruitkijken. Terugkijken op de mooie dingen van het afgelopen jaar, maar ook op het verdriet dat velen van ons hebben moeten ervaren. Indringende gebeurtenissen dichtbij, in je eigen leven of in het leven van dierbaren.  En ook voor onze kerkgemeenschap is 2019 een indringend en ingrijpend jaar geweest. Het verlies van ons vertrouwde kerkgebouw heeft veel van onze mensen diep geraakt, maar heeft ook de banden gesterkt en onvermoede energie opgewekt. Over een paar uur beginnen we een nieuw jaar. Nuchter gezien, is het niets bijzonders. Het is een zaak van de kalender, van onze jaartelling. Een onderlinge afspraak: we schrijven een nieuw jaartal, 2020. Dat is alles. Toch beleven we het ieder jaar opnieuw als een kantelmoment, een moment van reflectie, van spijt, voldoening of dankbaarheid, maar ook een moment van vooruitzien,  van hoop en verwachting.  Dat kantelmoment confronteert je met de kwetsbaarheid en de vergankelijkheid van het leven; met de realiteit dat ons leven een voortdurend onderweg zijn is; dat het vaak anders loopt dan we hadden verwacht. Zo’n laatste avond van het jaar doet je terugkijken op de weg die je hebt afgelegd, op de afgelegde weg die je nooit meer zult betreden. Maar ook op wat er in je rugzak is bijgekomen en je zomaar ‘om niet’ is gegeven: vriendschap, nabijheid, zorgzaamheid, liefde en verbondenheid. Het kantelmoment leidt je terug naar ‘wat je gaande houdt’, wat wezenlijk voor je is. Het doet je schouwen in je ziel. Je ziel, wat is dat? ‘Als een kind is mijn ziel in mij’, zegt de psalmdichter. Je ziel, dat zijn al die gebieden van ‘denken en terugdenken, van pijn en plezier’.  Je ziel is ‘je levensadem, je oogopslag, het licht in je, je hoop en verlangen’. Hoop en verlangen zijn ook de kern van de lezingen van vanavond.

Het koor zong zojuist het Magnificat, we lazen een bewerkte versie en tijdens de zang stond een letterlijke vertaling op het scherm.  Magnificat, anima mea Dominum…, het danklied van Maria gepositioneerd aan het begin van het evangelie volgens Lucas. Lucas neemt deze tekst op als slotstuk van het verhaal over de ontmoeting van Maria en Elisabeth. Lucas is de enige evangelist die een uitvoerige inleiding schrijft op het leven van Jezus. In die inleidende verhalen en zeker in dit danklied legt hij heel de essentie van het leven van Jezus neer: de droom van het koninkrijk van gerechtigheid en het onvervreembare recht van de zwakke. Hoop, barmhartigheid, het recht van de zwakke, het centrale thema in het evangelie volgens Lucas. U merkt, ik heb wat met dat evangelie en al helemaal met het danklied van Maria. In mijn moeilijke momenten, wie heeft ze niet?, ontroert de tekst mij en geeft mij hoop. Deze tekst zing ik mee als ik in een klooster de vespers bijwoon. Overal ter wereld wordt in de vespers dit Magnificat gezongen. Van geslacht op geslacht heeft de kerk dit Maria nagezongen. In geloof. Het lied kan ook alleen maar in geloof gezongen worden, door vrouwen en mannen die in blijde verwachting zijn van wat er te gebeuren staat, want wat Maria zingt is nog slechts toekomstmuziek. Maria weet van armoede, honger en uitbuiting. Maar ze weet ook van Gods wondere werkzame aanwezigheid in Israëls geschiedenis. Visionair ziet zij hoe haar kind weldoende door het land zal gaan, krachtig in woord en daad. Deze mens zal de zwakken aanzien, hongerenden, vrouwen en kinderen zal hij verheffen, en verdrukten bevrijden. Verwaandheid, machtsvertoon en hebzucht zullen het laatste woord niet hebben.

De schilder Gerrit Bas uit Zwolle heeft dat visioen in een schilderij verwoord. Een foto van dat schilderij ziet u op het scherm afgebeeld. Een blauwe ondergrond, donker en dreigend, de onderdrukking, maar doorbroken met “hemels blauw”. Een rode streep van boven naar onder, er dik opliggend als ware het een lijn van bloed. En daar waar de pijn wordt onderbroken, de tekst van het Magnificat, de tekst van hoop, vertrouwen en de diepe zekerheid dat ooit…. Het schilderij hangt bij mij thuis naast de eet/werktafel, het is mij dierbaar geworden en het opent regelmatig een gesprek met nieuwe bezoekers.

Magnificat anima mea Dominum… Welke God is dat die hier wordt bezongen?  In het boek Exodus, de eerste lezing, krijgt deze God een naam. De God die uit de doornstruik  roept. Als hij door Mozes naar zijn naam gevraagd wordt zegt hij: “ik zal zijn die ik ben”; En hoe ben ik?, ik stuur jou! Zo ben ik, dat ik jou, Mozes stuur naar die onderdrukte kinderen van Israël, omdat ik hun kermen gehoord heb en hun ellende gezien en niet kan aanzien. In heel het bijbelse bevrijdingsverhaal luidt de naam van deze God : dat er iemand wordt gestuurd naar mensen in nood. “Dit is mijn naam voor altijd”. Tot in lengte van tijd zullen er mensen gestuurd worden naar mensen in nood, en zich laten sturen. Hij “bestaat” in hen die zich laten sturen. Ik gestuurd? Jij gestuurd? Dat je gestuurd bent weet je meestal pas wanneer als je als “geroepen” komt. En als je luisterend leeft, hoor je roepen en dat het tot jou gericht is.

Dat luisterend leven komt ook naar voren in het dagboek ‘merkstenen’ van Dag Hammarskjöld. Een diepgravend, mystiek-politiek dagboek, waarin hij afdaalt naar zijn ziel. Dag Hammarskjöld was eind jaren 50 secretaris-generaal van de Verenigde Naties, één van de hoogste posten ter wereld. Gaandeweg gaat het eenzame zelfgesprek in ‘Merkstenen’over in een dialoog met de Ultieme, de Uiteindelijke, die we God noemen. Spelend met zijn eigen naam ’Dag’ belijdt hij zijn ‘geroepen zijn’: Heer – van u is de dag, / ik ben van de dag. Niet lang voordat hij in Congo om het leven komt schrijft hij: ‘ Ik weet niet- wie of wat- de vraag stelde. Ik weet niet wanneer zij gesteld werd. Ik herinner mij niet dat ik antwoordde. Maar eens zei ik Ja tegen iemand of iets.’  Ja, is het grondwoord van de geroepene.

In 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit. Miljoenen doden. De Franse dichter Péguy sneuvelde al direct aan het begin bij de Eerste slag aan de Marne. Maar zijn gedicht over de hoop uit 1912 steeg voorgoed boven alle slagvelden en rokende puinhopen uit. ‘Het is dat kleine meisje hoop – je ziet het zwak zijn, bang zijn, beven, je denkt soms dat het onooglijk is – het is dat kleine meisje hoop dat de mensen laat zien, zien soms even, wat in het leven mogelijk is’.

Magnificat anima mea Dominum.. , bezingt dat het kleine sterker kan zijn dan het grote. Diep in mijn hart weet ik dat dit waar is. Dus durf ik te geloven dat in het kleine het geheim van de groeikracht schuilt. Dat kleine vindt ook plaats in onze eigen gemeenschap. In de zorg voor elkaar, de ontmoetingsmomenten  door de week en rond de weekendvieringen, in de bereidheid van de vele vrijwilligers die het vele kleine tot een warm en groot geheel maken.

De gesprekken aan de keukentafel, naast de tekst van het Magnificat, gaan zelden over bijbelse dogmatiek, maar meestal over ons welzijn. Over onze angsten en dromen, onze talenten, onze kinderen. Daarom: deel elkaars verhalen, proef elkaars tranen en wees een troost voor anderen. Religieuze mensen zijn geen wandelende korans of bijbels, maar wandelende vaders en moeders, dochters en zonen. Dromers en reizigers in het leven. Dromers en reizigers die zich laten leiden door de hoop, dat eens…

Dat we elkaar in 2020 mogen vasthouden en bemoedigen op onze weg van de hoop. De hoop die de liefde voert. Een verlangen dat we uitzingen in ‘bries van liefde, adem, raak mij, leid mij, weet waar ik ga’.