Hieronder staat in de overweging van het afgelopen weekend.
De ‘eigen’ voorgangers van de werkgroep Woord- & Communievieringen maken bij de voorbereiding van de overweging dankbaar gebruik van externe bronnen. Naast boeken zijn dat ook internetbronnen zoals:

preek van de week

tijdschrift voor verkondiging

dominicanen in Schildbergen

Eerdere overwegingen staan in de rubriek archief.

Overweging afgelopen weekend:

:

 

Overweging . de 24ste zondag door het jaar.

Zondag 24:         beelden van God

De mens heeft zich in zijn ontwikkeling gerealiseerd dat er meer is dan hij kan bevatten. Die scheppende en zingevende inspiratie heeft hij God genoemd. Maar wie of wat is die god dan? Door de eeuwen heen en tot op de dag van vandaag is dat een actuele vraag gebleven. In de verhalen van wat we vroeger het ‘Oude Testament’ noemden worden beelden van en gedachten over die God verwoord. In Genesis horen we tot Adam spreken: ‘mens waar ben je?’ , maar ook ‘mens waar is je broeder?’ in het verhaal over Kaïn en Abel. We horen over de vreemdeling die zich bij Abram aandient en gastvrijheid geniet. We hoorden over een Geest die je overmant, die met je strijdt in het verhaal van Jakob. We horen over een vurig licht dat vanuit een dorre braamstruik oproept om te gaan bevrijden. In het visioen van Ezechiël wordt God als een wonderlijke verschijning opgevoerd. En in de psalmen schuurt het in de aanroep naar een ontbrekende stem. God is niet in menselijke concreetheid te vatten. In de spiritualiteit van de Karmelieten gaat het over het lege midden, waarop alles zich richt.

Ook Jezus gebruikt verhalende beelden om zijn diepe verbondenheid met het Goddelijke naar voren te brengen. Vader noemt hij zijn God, Abba, te vertalen als papa. Maar om duidelijk te maken hoe God met en in mensen omgaat gebruikt hij beschrijvingen, beelden, zoals we vanmorgen hoorden. God is als een herder die omziet naar zijn schapen, die opkomt voor wie verloren raken. Die zorg draagt voor wie het spoor bijster is, eenzaam, dolend, verlaten… Dat klinkt ons nu misschien romantisch in de oren, maar in Jezus tijd vormden herders het uitschot van de maatschappij. Een herder komt wekenlang niet uit de kleren, slaapt ’s nachts, gekleed en wel, bij zijn schapen. Je ruikt hem al op afstand. Herder- zijn is een hard bestaan. En wie ’s avonds de kudde natelt en het zwakke dier mist, zal niet teruggaan om het dier te zoeken. Maar er is er één zegt Jezus die zó gek op je is dat Hij naar jou op zoek gaat. ‘Mens waar ben je?’, zoals eens bij Adam. Op zoek naar de mens die verloren loopt. Jonge mensen onpeilbaar wanhopig. Kinderen, bang voor hun ouders. Ouders, angstig om hun kinderen. Mensen met honderdtallen tegelijk, vermist, verdwenen tussen het struikgewas van de aarde, in een wereld die keihard aan het worden is. Hoe ziet Hij dan om? Aan Mozes gaf hij de inspiratie mee dat Hij genoemd wil worden als ‘Ik zal er zijn’. Hoe is hij dan? Hij is in mensen die zich laten sturen naar noodlijdenden en onderdrukten. Hij zal er zijn in mensen die opkomen voor elkaar, die proberen voor elkaar ‘zo goed als God te zijn’, zoals we straks in de zegenbede over ons uitspreken. Hij ‘is’ in een ander mens, een mens die je troost; die je ‘uit de brand’ helpt, je ‘boven water’ houdt; die jou opzoekt, wie je ook bent.

God is, zegt Jezus, als een vrouw die wanhopig op zoek is naar wat verloren lijkt. Het gevoel dat je kent als in een legpuzzel van 1000 stukjes, één puzzelstukje mist. Het muntstuk, het puzzelstukje, weggevallen, bijna zoals mensen in onze samenleving ineens niet meer bestaan omdat ze bij niets nog behoren. Want in onze tijd met zijn snelle veranderingen, ligt ‘het spoor bijster raken’ op de loer. Je vraagt je af of je nog wel echt nodig bent. Je hebt het gevoel dat men je heeft laten vallen, als het muntstukje uit de parabel. Of je bent zo opgegaan in de dingen van jezelf, in werk en zorgen, ; in het narennen van wensdromen en idealen, dat je los bent geraakt van anderen.  Je herkent jezelf misschien in het verloren schaap  en het zoekgeraakte puzzelstukje. Weet dan zegt Jezus dat er naar je gezocht wordt. Weet dan dat zonder jou de kudde niet compleet is, dat zonder jou de puzzel niet te leggen is. In de ogen van God ben je onmisbaar. Want God, zo horen we ook in de 1ste lezing, is vergevend en trouw en is, zo hoorden we, als een mens die vreugde vindt in hereniging, in het herstel van de banden.

Het verhaal uit het boek Exodus, de 1ste lezing, vertelt ons over de eeuwige bekoring van de mens om God te gaan modelleren. Het gesprek dat Mozes met God voert op de berg Sinai gaat de gewone burger te hoog. Hij wil weten waar hij aan toe is en met wat voor soort God hij te maken heeft. De God, die het volk Israël uit Egypte heeft bevrijd, verdient het om afgebeeld te worden als een sterke God die alle andere goden de baas is. Het volk maakt die kracht aanschouwelijk in het beeld van dat sterke beest. Zij wilden hun God niet ontrouw zijn , maar een beeld maken dat bij hun gods-idee past. Hoe actueel!  Onze wereld kent nog steeds ‘heilige’ of ’rechtvaardige’ oorlogen. De ontmoeting met de levende God die ons zoeken wil en met ons spreken wil is velen te moeilijk. Een pasklaar godsbeeld is bruikbaarder. Het gebod om van God geen beelden te maken wil juist ruimte maken voor de God van Israël die de mens in zijn waarde laat en hem werkelijk wil ontmoeten.

Beelden van God werden niet alleen in het verleden gemaakt. Ook de kerkelijk kunst heeft tijdsgebonden beelden gecreëerd om het Goddelijke, het scheppende, het verhevene weer te geven. Soms dwingend, misschien herinnert u zich het drie-hoekige oog dat van boven uit de absis alles overziet, waar je ook zat. Of God als een oude grijs-witte man, met de afbeeldingen van Jezus en een duif erbij, de H Geest weergevend,  om de leerstelling van de drie-eenheid weer te geven. Wij kunnen met concrete beelden  God niet in onze greep krijgen. En dat is maar goed ook, want zo blijft het midden leeg. Wij geloven dat in het leven van Jezus de Goddelijke inspiratie tot uiting is gebracht. God is Liefde zal de leerling Johannes jaren na de kruisdood en opstanding betogen. In de 2 gelijkenissen van vanmorgen, beelden een man en een vrouw God uit: zij laten ons de Eeuwige zien als een God die over de vloer van de wereld door het stof kruipt om het verlorene te zoeken. Dat is precies wat Lucas Jezus heeft zien doen. De gelijkenis is niet alleen door Jezus verteld, maar ook gedaan. ‘Hij ontvangt zondaars, hij zit met hen aan één tafel, hij eet met hen’,  zo morden de Farizeeën en schriftgeleerden  voorafgaand aan de beide gelijkenissen. Gelovige mensen wier leiderschap gestoeld was op de strikte naleving van de wetten van Mozes.  In de beschrijvingen die Jezus ons vanmorgen voorhoudt openbaart God zich niet in de strikte naleving van regels en gewoonten, maar in degene die op zoek gaat naar wie verloren loopt. Hij openbaart zich in de vreugde als het ‘verloren gewaande’  gevonden wordt en openbaart zich in de niet gelezen derde gelijkenis, als een vader die zijn losgeslagen zoon die terugkeert naar het vaderhuis met open armen ontvangt.

In kwetsbare tijden kan ineens die vraag indringend opkomen: Wie is eigenlijk mijn herder? Is er nog iemand die naar mij vraagt? Die naar mij op zoek gaat? Is er iemand die mij echt belangrijk vindt? Ook als het niet lekker gaat? Ook als ik verlies op verlies lijd, als ik in de kreukels terecht kom. Is er dan nog iemand die naar mij omziet? Die met mij wil verkeren? Als ik mijn spontaniteit verlies, mijn gevatheid, mijn aardige verhaaltje. Als ik moe ben. Of ouder wordt, met alle gebreken van dien. Is er dan nog iemand die naar mij vraagt?

In de profetenteksten en het Evangelie gaat het over  één die juist dán in beeld komt, als alle zgn herders zijn afgetaaid. Eén die zich daar begeeft waar ieder ander liever wegduikt. Een herder die alles op alles zet om zijn schapen te zoeken. Die niet rust voordat hij ze allemaal gevonden heeft. Het is het verhaal van één die het geschreeuw in Egypte heeft gehoord, die heeft willen zien wat geen enkele andere herder durfde aan te zien. Een herder die afdaalt om zijn mensen te doen opgaan. Weg uit het doodsland van Egypte in de richting van een veel belovend land. Als Jezus zegt: ‘Ik ben de goede herder’ geeft Hij zijn innige band met Eeuwige weer. Wij worden in navolging van Hem geroepen en gestuurd om goddelijke herderschap concreet in ons dagelijks leven naar voren te laten komen.