Hieronder staat in de overweging van het afgelopen weekend.
De ‘eigen’ voorgangers van de werkgroep Woord- & Communievieringen maken bij de voorbereiding van de overweging dankbaar gebruik van externe bronnen. Naast boeken zijn dat ook internetbronnen zoals:

preek van de week

tijdschrift voor verkondiging

dominicanen in Schildbergen

Eerdere overwegingen staan in de rubriek archief.

Overweging afgelopen weekend:

:

4 november, zondag 31

Vroeger bezaten we een klein en handzaam boekje, dat voor iedereen de theologie

in zakformaat bevatte. Je kreeg het in bezit zo gauw je kon lezen, en het werd een leidraad

voor je hele leven: de catechismus. Al zullen velen niet alle vragen en antwoorden

meer kennen, iedereen, ook degenen die het boekje nooit gezien hebben, kennen

de eerste vraag. Een goede vraag, de beste uit het hele boekje. “Waartoe zijn wij

op aarde?”

Die vraag beheerst het bestaan van mensen. Een vraag waar we gemakkelijk overheen

leven, als het ons goed gaat. Maar een vraag, die levensgroot opdoemt in moeilijke dagen.

“waarvoor zijn wij op aarde?” Het antwoord is ingewikkelder. Dit vraagt al heel

veel uitleg: “Wij zijn op aarde, om God te dienen en daardoor hier en in het hiernamaals

gelukkig te zijn.” Kijken we naar het eerste stukje van het antwoord: het ligt er

maar aan waar je de klemtoon legt. Heel dikwijls werd die in de praktijk zo gelegd:

“We zijn op aarde om Gód te dienen.” En daar ging het hele boekje verder over.

Bijvoorbeeld over welke verplichtingen je had, wat je wel en niet mocht. En bovenal

Gods boekhouding, de beloning of straf die erbij hoorden. Welke zonden zwaar

waren, de doodzonden en welke maar licht geteld werden: dagelijkse zonden.

Zo werd God afgeschilderd als iemand die gediend wilde worden op mensen- manier.

God mocht zijn gezicht niet verliezen, zoals mensen hun gezicht niet willen verliezen.

 

Het evangelie van deze dag geeft een hele andere kijk op God en op wat wij te doen

hebben.

Jezus zegt, dat het eigenlijk eenvoudig is en gemakkelijk gezegd kan worden. Er zijn

maar twee wetten  van de hemelse Vader: “Gij zult de Heer, uw God beminnen

boven alles en uw naaste als uzelf.” Meestal begrijpen we wel – hoe moeilijk het soms

ook is in de uitvoering – wat het betekent om onze naaste te beminnen als onszelf.

Maar waarom staat er toch, dat God bemint móet worden? Wat is “beminnen en lief”

hebben? Als ons gezegd wordt, dat we móeten beminnen, horen we eigenlijk iets dat

niet kan. Beminnen dat móet je nooit, het kan niet afgedwongen worden. Er is geen

stok achter de deur die zegt: “Je zult en je moet beminnen, anders dan …” Beminnen

kan maar op een manier: uit vrije wil van binnenuit. Anders is het geen liefhebben.

“Je moet Gód beminnen.” Wanneer dat gezegd wordt in het Oude en Nieuwe

Testament, dan wordt de nadruk gelegd op ‘God’. In tegenstelling tot alle andere dingen

die niet de moeite waard zijn om te beminnen. Het oude Israël had er al moeite

mee. Er werden daar allerhande zaken voorgehouden, die ook bemind moesten worden.

Grond en de bodem waarop men leefde. Daarvoor moesten offers gebracht

worden en gevochten. Daarvoor mocht bloed vloeien. Macht en eer waren beminnenswaardig.

Het volk keek om zich heen, zag andere volken in het stof kruipen voor hun goden,

beelden van goud en zilver, van steen en van hout. En zij deden als zij.

 

Goed vertaald luiden de woorden uit het evangelie van vandaag zo: bemin je naaste, die is als jij. Wees zacht voor jezelf… en wees evenzo zacht voor de ander. Leg jezelf geen zwaardere lasten op die je niet kunt dragen. Al te vaak zie je dat dat mensen belemmert in hun levensvreugde, in hun trots, in hun geluk, altijd is er “maar”.

Dat is jammer. Het kan je juist belemmeren in je houding naar of liefde voor de ander en naar of voor God.

Misschien is dat wel de kern van het grootste gebod: dat we elkaar recht in de ogen zien. We zijn er niet om elkaar op  de proef te stellen, maar om elkaar tot steun te zijn, elkaar liefhebben met alles wat in je vermogen ligt, je hart, je ziel, je verstand en kracht.

 

Dan wordt het heel erg duidelijk, want een ander mens heeft er net zo zeer behoefte aan om bevestigd te worden en gekend te worden.

Het is het hartsgeheim van de schriften dat wij mogen horen hoe zeer God de mensen kent en bemind. Hij is de Eerste, die zich “de naaste en bondgenoot” verklaart aan ons allen. Vanuit

dat diepe besef bemind te worden, zal het ons mogelijk zijn in de juiste verhoudingen tot de anderen te leven. Wij zeggen weleens ; ‘wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’. Maar dat is een negatieve formulering en een afzwakking van de woorden van Jezus waarmee Hij het hart van de Schriften verwoordt. Jezus zegt:: “alles wat jij wilt dat de mensen voor jou doen, doe dat ook voor hen.

Dat is een gouden leefregel voor ons allen.